Luchtdichtheid

Principe

Wind, verwarming en ventilatie veroorzaken een drukverschil tussen binnen en buiten. Zo dringt via kieren en spleten koude lucht binnen en ontsnapt warme lucht.

Dat kan zowel tocht als condensatie creëren, en op zijn beurt schimmelvorming. Door luchtdicht te bouwen vermijdt u spleten en kieren en dus ook deze problemen. Daarnaast zorgt een goede luchtdichtheid van de gebouwschil voor een lager E-peil.

Luchtdichtheid en EPB

De EPB–regelgeving legt geen eisen op aan de luchtdichtheid van een gebouw. Hebt u aandacht besteed aan een luchtdichte aansluiting van constructiedelen en wilt u dat laten meetellen voor een beter E-peil? Dat kan, als u een luchtdichtheidsmeting laat uitvoeren.

Als u een luchtdichtheidsmeting wenst uit te voeren, wordt aangeraden om bij de EPB-ontwerpberekening uit te gaan van een conservatieve waarde voor de luchtdichtheid (bv. een lekdebiet v50 van 6 m³/hm ²). Merk op dat het lekdebiet zowel meetelt in de koelberekening als in de verwarmingsberekening, waardoor het invullen van een extremum in de één of de andere richting tot verrassingen kan leiden. Zeer luchtdichte gebouwen behalen een lekdebiet van 2 à 3 m³/hm².

Let op: de luchtdichtheid moet op een correct manier gemeten zijn, volgens het kwaliteitskader luchtdichtheidsmetingen. Zoniet, mag u de meting niet gebruiken in de E-peilberekening.

Luchtdicht bouwen: praktisch

Wenst u meer informatie over hoe u een goede luchtdichtheid kan bereiken in de praktijk? Dan kunt u terecht bij de Technische Voorlichting (TV 255) rond ‘Luchtdichtheid van gebouwen' van het WTCB.

Die bevat, naast een uitleg over de bepaling en de uitdrukking van de luchtdichtheid van gebouwen, ook praktische richtlijnen over het ontwerp, de coördinatie, materiaalgebruik, ...

De volledige lijst van items die aan bod komen, vindt u in de inhoudstafel.

Geldig voor alle aanvragen