Het aaneengesloten geheel van het EPC voor kleine niet-residentiële eenheden

Algemeen principe

Het aaneengesloten niet-residentiële geheel wordt bepaald in gebouwen waar meerdere niet-residentiële eenheden voorkomen. Soms zijn er ook residentiële eenheden aanwezig.

  • Voorbeeldsituatie: een appartementsgebouw van vier verdiepingen met op het gelijkvloers een broodjeszaak en een tandartsenpraktijk en een verzekeringskantoor op de tweede verdieping.

BEPALING: 

De te koop of te huur gestelde eenheid en de niet-residentiële gebouwdelen die aansluiten of grenzen aan het deel dat te koop of te huur wordt aangeboden, hebben samen een totale bruikbare vloeroppervlakte van maximaal 1000 m². 

Dit betekent dat bij een gebouw dat volledig niet-residentieel gebruikt wordt, de totale bruikbare vloeroppervlakte van alle verdiepingen samen maximaal 1000 m² bedraagt. 

Bij een gebouw dat een niet-residentieel én een residentieel gebruik heeft, worden de oppervlaktes opgeteld van alle niet-residentiële gebouwdelen die op dezelfde verdieping liggen als het te koop of te huur gestelde deel. Als er nog niet-residentiële gebouwdelen aanwezig zijn op boven- of onderliggende verdiepingen, wordt hun oppervlakte ook meegeteld, voor zover ze niet van de andere niet-residentiële gebouwdelen gescheiden worden door een volledige residentiële verdieping.

De som van de vloeroppervlaktes van alle aangrenzende niet-residentiële eenheden, inclusief de oppervlakte van de te koop of te huur gestelde eenheid zelf, mag maximaal 1000 m² bedragen.

Is de som van de vloeroppervlaktes groter dan 1000 m², dan mag er geen EPC voor kleine niet-residentiële eenheden opgesteld worden, maar moet een EPC voor grote niet-residentiële eenheden opgemaakt worden. Het EPC voor grote niet-residentiële eenheden is nog in ontwikkeling en kan dus nog niet opgemaakt worden.

Uitgewerkte voorbeelden
  • Een gebouw van 1200 m² bestaat uit 8 niet-residentiële eenheden van elk 150 m². Hoewel elke eenheid apart kleiner dan 500 m² is, zijn het geen kleine niet-residentiële eenheden omdat ze deel uitmaken van een groter niet-residentieel geheel (bruikbare vloeroppervlakte > 1000 m²). Een voorbeeld kan zijn een winkel in een groot winkelcentrum.
  • Een gebouw van 800 m² bestaat uit een kantoor van 150 m² en een winkel van 650 m². Hoewel het kantoor kleiner dan 500 m² is, is dit geen kleine niet-residentiële eenheid omdat het aaneengesloten geheel van niet-residentiële eenheden een eenheid bevat met een bruikbare vloeroppervlakte groter dan 500 m² (= winkel) bevat.
  • Een gebouw bestaat uit een broodjeszaak (150 m²) op het gelijkvloers, kantoorruimtes op de bovenliggende verdiepingen (600 m²) en een gemeenschappelijke traphal (50m²). Het gebouw is volledig niet-residentieel dus het aaneengesloten geheel is het volledige gebouw, inclusief trappenhal, met vloeroppervlakte van 800 m². Hoewel de broodjeszaak klein genoeg is (< 500 m²) en ze gelegen is een niet-residentieel gebouw < 1000 m², moet ze toch beschouwd worden als een grote niet-residentiële eenheid. De kantoorruimtes zijn immers groot (> 500m²) dus dan worden alle eenheden in het aaneengesloten geheeld beschouwd als groot. Beide eenheden vallen dus onder het toepassingsgebied van EPC groot NR.

 

aaneengesloten geheel - broodjeszaak
  • Een café in een appartementsgebouw met vijf verdiepingen. Op het gelijkvloers van dit gebouw bevindt zich de inkomhal die de toegang verschaft tot de bovenliggende verdiepingen (50 m²), een winkel (200 m²), een kinesitherapiepraktijk (60 m²) en het betreffende café (140m²). Voor de rest bestaat dit gebouw uit appartementen. Een appartement op de derde verdieping wordt gebruikt als logopediepraktijk. Het aaneengesloten niet-residentiële geheel van het café bestaat uit de volledige gelijkvloerse verdieping (het café, de winkel, de kinesitherapiepraktijk en de inkomhal). De logopediepraktijk op de derde verdieping wordt niet meegenomen, omdat deze gescheiden is van de niet-residentiele eenheden op het gelijkvloers door verdiepingen waar enkel appartementen aanwezig zijn. De totale bruikbare vloeroppervlakte van het aaneengesloten geheel van het café bedraagt 450 m². Dit is kleiner dan 1000 m² en elk van de eenheden hierin is kleiner dan 500 m² (winkel, kiné, café). Het café is dus te beschouwen als een kleine niet-residentiële eenheid.

 

 

3D-voorstelling van een appartementsgebouw met een winkel, en caf&eacute;, een logopedie en een kin&eacute;praktijk. Bepaal het aaneengesloten deel.

 

  • Een winkel (350 m²) bevindt zich op het gelijkvloers van een gebouw, samen met gemeenschappelijke circulatieruimte (50 m²). Op de eerste verdieping ligt een kantoor (80 m²). De tweede en derde verdieping bestaan volledig uit kantoren en vormen samen een aparte niet-residentiële eenheid (800m²). 
    Het aaneengesloten geheel van de winkel bestaat uit de volledige gelijkvloerse verdieping, het kantoor op de 1ste verdieping en de kantoren op de 2de en 3de verdieping. Het aaneengesloten geheel bevat een niet-residentiële eenheid > 500 ², namelijk de kantoren op de 2de en 3de verdieping. De winkel moet dus beschouwd worden als een grote niet-residentiële eenheid – ook al is zijn eigen oppervlakte kleiner dan 500 m². Verdere controle wijst ook uit dat de totale oppervlakte van het AG 1280 m² bedraagt. Dit is groter dan 1000 m². 

 

3D-voorstelling van een groter appartementsgebouw met een winkel, een conci&euml;rgewoning, een klein kantoor en twee verdiepingen met verschillende kantoren

 

Raadpleeg alle voorbeelden in 

 

Published on: 
23-03-2022