Langetermijndoelstelling voor niet-residentiële gebouwen

Hoe wil Vlaanderen invulling geven aan de klimaattransitie in de bebouwde omgeving?

Dat geeft ‘de Vlaamse langetermijnrenovatiestrategie voor gebouwen richting 2050’ weer. Voor niet-residentiële gebouwen spreken we daarin over ‘koolstofneutraliteit’, als langetermijndoelstelling. 

Een koolstofneutraal gebouw is een gebouw waarvan de CO2-uitstoot tot nul is gereduceerd
door de energiebehoeften te verminderen  én ervoor te zorgen dat aan de resterende energiebehoeften wordt voldaan met hernieuwbare energiebronnen

Het is een gebouw waarvan het gemeten totale energiegebruik in gebruiksfase wordt gedekt door hernieuwbare energiebronnen. 

Het energieprestatiecertificaat voor niet-residentiële gebouwen (EPC NR) zal een belangrijk hulpmiddel worden op het pad richting de lange termijndoelstelling. Het energieprestatiecertificaat voor niet-residentiële gebouwen (EPC-NR) zal namelijk – vanaf 2023 – zichtbaar maken of het gebouw voldoet aan de langetermijndoelstelling, of op welke ‘afstand’ van de langetermijndoelstelling het gebouw zich bevindt. 

Op het EPC-NR zal een energieprestatielabel staan dat gebaseerd is op het aandeel hernieuwbare energie (%). Dat is de verhouding tussen: 

  • de hoeveelheid hernieuwbare energie die lokaal opgewekt en gebruikt wordt (= teller)
  • de hoeveelheid hernieuwbare en niet-hernieuwbare energie die het gebruikt (= noemer)

Is het aandeel hernieuwbare energie 100%? Dan voldoet het gebouw aan de langetermijndoelstelling. Het gebruikt dan geen niet-hernieuwbare energie (dus geen fossiele brandstoffen) meer. 

Aftoetsing LTD 2050 voor niet-residentiële gebouwen via het aandeel hernieuwbare energie

Om te bepalen of een gebouw koolstofneutraal is, bekijken we het gemeten energiegebruik. Bij niet-residentiële gebouwen kan het gebruik immers sterk variëren, wat zeer moeilijk via een theoretische berekening kan ingerekend worden.

We evalueren ook het totale energiegebruik. Dit is het energiegebruik voor verwarming, verlichting, koeling, sanitair warm water, maar ook voor de processen die binnen het gebouw plaatsvinden (ICT, apparatuur, …). We houden daarbij enkel rekening met het energiegebruik tijdens de gebruiksfase van het gebouw. Het energiegebruik dat nodig was voor de vervaardiging, verwerking, transport van bouwmaterialen, … laten we dus buiten beschouwing.

Zowel het totale energiegebruik als de lokaal opgewekte energie zijn gemeten, dus niet theoretisch berekend.

Bij het bepalen van het hernieuwbare aandeel, tellen de volgende technieken mee: 

  • ketel of kachel op biomassa of biobrandstof
  • WKK op biomassa of biobrandstof
  • wind- en/of waterkracht
  • externe warmtelevering (deels) hernieuwbaar opgewekt
  • zonneboiler
  • PV-panelen
  • warmte geleverd door een warmtepomp, onttrokken aan de omgeving

Dat stemt overeen met de Europese richtlijn ter bevordering van hernieuwbare energie. 

De volgende technieken rekenen we momenteel niet mee in de teller van het hernieuwbaar aandeel:

  • garanties van oorsprong (GVO) voor groene stroom geleverd via het elektriciteitsnet
  • garanties van oorsprong voor groene waterstof (dit is geen biobrandstof)
  • koeling via een (omkeerbare) warmtepomp
  • andere hernieuwbare technieken die niet in de bovenstaande lijst vermeld zijn

Op termijn evalueren we deze aanpak en we sturen bij als dat nodig is. 

Enkel lokaal opgewekte en lokaal gebruikte hernieuwbare energie

Bij de berekening van het aandeel hernieuwbare energie beschouwen we enkel lokaal opgewekte hernieuwbare energie (HE) die ook effectief gebruikt wordt door de gebouweenheid.

Het gaat dus telkens om productie op de site, met uitzondering van de externe warmtelevering, waar de productie sowieso extern is aan de site. Als de externe warmtelevering (deels) hernieuwbaar is, rekenen we de geleverde warmte aan de eenheid ook (deels) mee in het hernieuwbaar aandeel. 

Overzicht 'lokaal opgewekt en lokaal gebruikt’:

  Telt mee als HE Telt niet mee als HE
Elektriciteit Elektriciteit opgewekt op de eigen site, door:
  • zon (PV)
  • wind
  • waterkracht
  • WKK op biobrandstof
    én gebruikt door de eenheid.
  • Elektriciteit opgewekt op de eigen site en geëxporteerd naar andere eenheden of geïnjecteerd op het elektricitriciteitsnet.
  • Elektriciteit uit het net, aangekocht met garanties van oorsprong (GVO)
Warmte Warmte opgewekt op de eigen site door:
  • zonneboiler
  • warmteopwekker (ketel, WKK,…) op biobrandstof 
  • omgevingswarmte omgezet door een warmtepomp
    én gebruikt door de eenheid.

Hernieuwbare warmte geleverd via een extern warmtenet aan de eenheid.

  • Warmte opgewekt op de eigen site en geëxporteerd naar andere eenheden warmtenet.
  • Restwarmterecuperatie (zowel rechtstreeks als bv. via een warmtepomp)

Hernieuwbare energie in de langetermijndoelstelling: wat met kleine niet-residentiële gebouwen? 

De Vlaamse langetermijnrenovatiestrategie voor gebouwen 2050 geldt zowel voor woongebouwen als voor niet-woongebouwen. De manier waarop deze strategie ingevuld wordt in de praktijk verschilt echter voor de verschillende types gebouwen. 

Voor niet-woongebouwen streven we naar koolstofneutraliteit of een aandeel hernieuwbare energie van 100%. Bestaande woongebouwen moeten tegen uiterlijk in 2050 een vergelijkbaar energieprestatieniveau halen als nieuwbouwwoningen met vergunningsaanvraag in 2015. Daar streven we naar een energiescore van maximaal 100 kWh/(m².a). 

De kleine niet-residentiële gebouwen vormen eigenlijk een tussengroep. Deze gebouwen hebben een niet-residentiële bestemming maar vertonen op vlak van architectuur, installaties, gebruik bouwmaterialen, context, … zeer sterke gelijkenissen met het residentiële gebouwenpark. Ondanks hun functies en gebruikskarakteristieken zijn ze dus veel eerder te beschouwen als ‘residentieel’ dan als ‘niet-residentieel’, 

Voor niet-residentiële gebouwen die aan de voorwaarden van een klein niet-residentieel gebouw voldoen, kan dus een uitzondering gemaakt worden. Zij kunnen de keuze maken voor ofwel een EPC NR met een label op basis van een aandeel hernieuwbare energie of voor een EPC met een label op basis van een berekende energieprestatie (EPC kNR). In geval van dit laatste kan aan de lange termijndoelstelling voldaan worden met een label A (energiescore maximaal 100). 

Lees meer over de Vlaamse langetermijnrenovatiestrategie voor gebouwen 2050