Vergelijkende studie maatregelen in andere landen

Ter ondersteuning van de uitwerking van bijkomende maatregelen voor het derde Vlaamse Klimaatbeleidsplan werden eind 2011/begin 2012 met de stakeholders verschillende Ronde Tafels georganiseerd. Op de Ronde Tafel voor de doelgroep niet-ETS Industrie van 8 mei 2012 kwam van de stakeholders het signaal dat er behoefte was aan het beter in kaart brengen van de acties die naar de doelgroep in het buitenland of de andere regio’s worden genomen, er effectief zijn gebleken en (waarschijnlijk) ook een potentieel hebben in een Vlaamse context.

Om hieraan tegemoet te komen, heeft het VEKA een studie gelanceerd met als doel na te gaan welke maatregelen in de ons omringende landen bestaan en goed werken, om daarna te analyseren hoe de bestaande maatregelen in Vlaanderen kunnen worden aangepast teneinde het potentieel te benutten en de respons van KMO’s op het vlak van energiebesparing te vergroten.

Deze studie werd uitgevoerd door 3E. De belangrijkste conclusies/aanbevelingen zijn:

  1. Vlaanderen schiet in vergelijking met onze buurlanden niet te kort op het gebied van maatregelen die energie-efficiëntie bij KMO’s moeten stimuleren. Gerichte acties voor KMO’s komen in zowat alle landen pas recent op gang. Er werd in het verleden immers vooral ingezet op de energie-intensieve industrie.
  2. Voor heel wat KMO’s blijft energiebesparing een abstract gegeven. Om de KMO’s te stimuleren, moet vertrokken worden vanuit hun leefwereld. Dit kan best gebeuren door het aanreiken van concrete voorbeelden en praktijkervaringen rond energiebesparing, bijvoorbeeld door concrete cases op de website te publiceren, seminaries op te zetten, bedrijfsbezoeken te organiseren, wedstrijden op te zetten,… 
  3. Momenteel is er al veel informatie beschikbaar, maar deze is verspreid over de websites van verschillende instanties. Het is aangewezen om al de informatie op Vlaams niveau te bundelen in een koepelsite. Het vertrekpunt hierbij moet de leefwereld van de KMO-ondernemer zijn, met zijn specifieke vragen.
  4. Om de problematiek van energie-efficiëntie bij de KMO’s aan te kaarten, wordt best gebruik gemaakt van de bestaande vertrouwensrelaties (Unizo, VOKA, Kamer van koophandel,…), eerder dan een nieuw kanaal op te bouwen.
  5. Er kan een centrale databank worden opgezet waarin wordt opgelijst welke bedrijven wanneer werden gecontacteerd of geadviseerd en welke informatie een audit heeft opgeleverd. Als deze gekoppeld wordt aan een databank waarin steunaanvragen worden beheerd, kan ook opgevolgd worden welke van de in de audit voorgestelde maatregelen, effectief uitgevoerd werden.
  6. Het is aangewezen om ook tweedelijnsondersteuning te voorzien om KMO’s te ondersteunen bij specifieke vragen rond een bepaald thema. Hierbij kan jaarlijks op bepaalde specifieke thema’s ingezet worden. Om de drempel te verlagen, moet voor dergelijk advies financiële ondersteuning voorzien worden. Het is aanbevolen aan de KMO feedback te vragen met betrekking tot het geleverde advies.
  7. Vaak is er ook heel wat potentieel beschikbaar binnen een groep van bedrijven door het beter afstemmen van bepaalde processen op elkaar (bijvoorbeeld valorisatie van restwarmte). Deze taak zou kunnen opgenomen worden door de verantwoordelijke van het bedrijventerrein. 
  8. Ervaringen in het buitenland leren dat het niet evident is om ESCO’s of derde partijfinanciering ingang te doen krijgen binnen KMO’s, aangezien deze in een competitieve omgeving functioneren en onderhevig zijn aan conjuncturele ups & downs. Bijgevolg zijn ze minder gemakkelijk te vatten in een eenduidig lange-termijn contract.
  9. Bestaande energiemanagementsystemen zijn doorgaans te zwaar voor heel wat KMO’s. Buitenlandse ervaringen leren dat dergelijke systemen in KMO’s louter op vrijwillige basis worden geïntroduceerd. Er zouden dus energiemanagementsystemen moeten komen die meer op maat zijn van KMO’s en waarvoor ook een financiële stimulans wordt voorzien.

Bekijk het volledigepdf bestandonderzoeksrapport (741 kB).